Joannes Laveyne, Post-doctoraal onderzoeker aan het Energy & Systems Lab van Universiteit Gent, in De Standaard op 20/08/2025.

 

In hun boek Abundance pleiten politiek journalisten en opiniemakers Ezra Klein en Derek Thompson voor een hernieuwde progressieve politiek die kiest voor bouwen in plaats van blokkeren. Een beleid dat inzet op meer van wat de auteurs de “bouwblokken van de toekomst” noemen: woningen, transport, gezondheidszorg en energie. Het is een verfrissend alternatief op het krimpdiscours en de groeiscepsis die het progressieve debat soms wel lijkt te overheersen.

Het boek is een onderdeel van de zogenaamde Abundance Agenda, een politieke ideologie die stelt dat bepaalde regels het aanbod van essentiële goederen en diensten kunstmatig beperken en de kosten ervan opdrijven. Zeker wat energie betreft denkt de beweging groot. Een klimaatneutrale wereld van overvloed ligt op ons te wachten als er maar voldoende koolstofarme energie is. Met energie-intensieve technieken zoals precisiefermentatie en pyrolyse kunnen we dan artificieel voedsel produceren en materialen op moleculair niveau hergebruiken, waardoor er enorm veel land- en mijnbouwgrond terug aan de natuur kan worden gegeven. Droogte ten gevolge van klimaatverandering zal opgelost worden door de massale ontzilting van zeewater. Dan kunnen we synthetische brandstoffen produceren zodat we zonder enige klimaatschaamte kunnen rijden en vliegen naar waar we maar willen. En in afwachting van dat alles hoeven we fossiele brandstoffen bovendien niet eens af te zweren: eens energy abundance er is zullen we overtollige CO2 gewoon terug uit de atmosfeer zuigen (de zogenaamde Direct Air Capture technologie), en het klimaat uiteindelijk terug in haar oude plooi leggen.

Het concept van energy abundance klinkt aantrekkelijk, maar houdt zelden stand wanneer ze wordt getoetst aan de realiteit. Daarvoor moeten we maar even over de grens te kijken, naar Frankrijk, dat al sinds de jaren 80 meer dan driekwart van haar elektriciteit uit kernenergie haalt. Haar vloot kernreactoren behoort niet alleen tot de grootste ter wereld, maar ook tot de slechts presterende. Waar de kerncentrales in de meeste andere landen een benuttingsgraad van 90% of meer behalen, ligt dat in Frankrijk onder de 70%. Enkel Argentinië en Zuid-Afrika presteren slechter. Dat lage Franse cijfer ligt niet aan de kwaliteit van hun centrales, maar aan het feit dat hun productie bewust wordt teruggeschroefd. Al decennialang is er in Frankrijk een structurele overcapaciteit aan elektriciteitsproductie, en is energy abundance er dus al een feit. En al decennialang wordt er niets mee gedaan. Er is geen artificieel voedsel noch een circulaire economie.  De droogte waar Frankrijk steeds meer zomers mee worstelt wordt niet bekampt door ontzilting van zeewater. Auto’s en vliegtuigen gebruiken er nog steeds fossiele brandstoffen. En er staan al zeker geen atmosferische koolstofzuigers. Sterker nog, de voorbije 25 jaar is het Franse elektriciteitsverbruik aan het dalen, vooral door een krimpende industrie. Energy abundance of niet, Frankrijk behoort tot de Europese landen waar de industrie de voorbije decennia het sterkst aan economisch gewicht verloor. En dat ondanks een stevige overheidskorting op de stroomprijs, die de Franse elektriciteit tot de goedkoopste van Europa maakt.

De situatie stelt zich niet enkel in Frankrijk. In de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, … Wereldwijd zijn er tientallen reactoren gesloten of niet vervangen, simpelweg omdat er niet meer voldoende vraag naar hun energieproductie was. Vanuit België hebben we de neiging te focussen op politiek gemotiveerde afbouw van kernenergie, maar historisch gezien is de grootste reden om kerncentrales te sluiten of geen nieuwe te bouwen een pure economische afweging.

Het fenomeen beperkt zich zelfs niet tot kernenergie. Aangevuurd door spotgoedkope zonne-energie noteerde de groothandelsprijs voor elektriciteitsprijs in Europa steeds meer tot onder nul. Begin augustus hadden we met 408 uren negatieve stroomprijs reeds het record van vorig jaar overtroffen. 408 uren met energieoverschotten waar niemand iets mee wil doen. Het gevolg is dat de grote zonneparken steeds meer hun energieproductie beginnen terug te schroeven. Bovendien zal de Europese markt van zonne-energie dit jaar voor het eerst in vijftien jaar beginnen krimpen. De overschotten aan zonne-energie zetten de rendabiliteit van bijkomende investeringen onder druk.

Het idee van overvloed, toch zeker van een vlot verhandelbaar goed als energie, staat dan ook haaks op dat van onze kapitalistische, op schaarste gebaseerde economie. Wanneer er te veel van een goed is, dan zijn vraag en aanbod uit balans. Dit evenwicht herstelt zich, enerzijds door een stijgende vraag of door het aanbod terug te schroeven. Dat laatste is echter de makkelijkere en goedkopere optie van de twee. Om de vraag naar duurzame stroom te verhogen zijn namelijk investeringen nodig. Een fabriek voor synthetische brandstoffen of duurzaam staal, of een installatie om koolstof uit de lucht te halen kosten handenvol geld nog voor het eerste elektron er door vloeit. Zolang er geen vraag naar is, zal ook de vraag naar duurzame energie niet toenemen, hoe goedkoop die ook moge zijn. Dat zien we trouwens ook in het dagelijkse leven. Door de hoge aanschaf- of installatieprijs van een elektrische wagen of warmtepomp kiezen veel gezinnen er voor het nog zo lang mogelijk met hun wagen of gasketel op fossiele brandstof uit te zingen.

Dankzij haar verraderlijke eenvoud blijft het overvloedsdenken aantrekkelijk, ook voor beleidsmakers. Het biedt een ontsnappingsroute uit moeilijke keuzes over belastingen, verplichtingen of herverdeling, en laat toe om uit te pakken met grootschalige aanbodsverhoging waarvan het rendement in de toekomst zou liggen. Over de kostprijs of verwachte benuttingsgraad blijft men stil. Momenteel rekent men op een sterk toenemende energievraag door datacenters en AI. En alhoewel die in de Verenigde Staten inderdaad potten breken, is het verre van zeker in welke mate die energievraag zich ook in Europa zal materialiseren.

Een duurzame toekomst vergt dus beleid dat actief vraag creëert. Denk aan een snellere elektrificatie van mobiliteit en verwarming, of minimumdoelstellingen voor met duurzame energie geproduceerde materialen in openbare aanbestedingen. Beleidsmakers beschikken over talloze hefbomen, maar kiezen steeds vaker voor vrijblijvendheid. Verplichtingen worden afgeschaft of vervangen door subsidies. Beslist beleid wordt tegengewerkt. Terwijl net verplichte maatregelen, zoals de elektrificatie van bedrijfswagens of de uitfasering van de verbrandingsmotor, vandaag de grootste zekerheid bieden op een structureel hogere vraag naar koolstofarme energie. Zonder die stimulering van de vraag blijft het toekomstbeeld van energie-overvloed niet meer dan een technologische fata morgana.